Hoofdstuk 7Deltafonds

Noodweer in Tilburg, juni 2020

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de financiële borging van het Deltaprogramma, door de beschikbare middelen in het Deltafonds te vergelijken met de verwachte financiële omvang van de opgaven van het Deltaprogramma.

In het Deltaprogramma staan maatregelen die geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit het Deltafonds: de maatregelen op het gebied van waterveiligheid en zoetwater waar het Rijk (deels) een verantwoordelijkheid voor draagt. Daarnaast omvat het Deltaprogramma maatregelen waar het Rijk geen verantwoordelijkheid voor draagt, zoals maatregelen van provincies, waterschappen en gemeenten in het regionale watersysteem. Dergelijke maatregelen worden niet bekostigd uit het Deltafonds.

Hierna volgen de ontwikkelingen in het Deltafonds, de middelen van de andere partners in het Deltaprogramma, de (herijkte) financiële opgaven van het Deltaprogramma tot 2050 en de conclusies van de deltacommissaris over de financiële borging van het Deltaprogramma.

7.1 Ontwikkelingen Deltafonds

Het Deltafonds bevat financiële middelen om investeringen in waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit en het beheer en onderhoud van het Rijk dat hierop betrekking heeft vanuit het Rijk te financieren. Ook kan uit het Deltafonds subsidie worden verstrekt voor maatregelen voor waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit van andere overheden (zie art. 7.22d, tweede lid, Waterwet). De wijziging van de Waterwet ten behoeve van subsidiëring uit het Deltafonds van maatregelen en voorzieningen tegen wateroverlast is per 1 juli 2020 in werking getreden en biedt de juridische grondslag voor de tijdelijke impulsregeling, die is voorzien voor de periode vanaf 2021.*

Waterkwaliteit komt in deze analyse in beeld voor zover er samenhang is met de opgaven van het Deltaprogramma (waterveiligheid en zoetwatervoorziening). Deltaplan Waterveiligheid (paragraaf 3.5), Deltaplan Zoetwater (paragraaf 4.5) en Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (paragraaf 5.5) geven een overzicht van alle onderzoeken en concrete maatregelen van het Deltaprogramma, inclusief het daarmee verbonden budget.

Budgetten Deltafonds

In de periode 2021-2034 is in het Deltafonds circa € 18,6 miljard beschikbaar, waarmee het jaarlijkse budget gemiddeld op € 1,3 miljard uitkomt. Dat wordt duidelijk in tabel 14 die de budgetten van het Deltafonds artikelsgewijs en in totaal weergeeft, voor het begrotingsjaar 2021 en de periode 2021-2034. Figuur 12 geeft het verloop van de budgetten per artikel tot en met 2034.

Uit bovenstaande figuur blijkt dat de budgetten een piek kennen in de periode 2023 - 2025 en dat de uitgaven uit het Deltafonds in de jaren daarna weer wat afnemen, tot 2033. Dit patroon wordt verklaard door het toepassen van enkele grote kasschuiven, waarmee middelen uit de jaren 2029 -2032 naar voren zijn gehaald. Door deze kasschuiven is de overprogrammering op het hoogwaterbeschermings­programma (dat in die jaren versnelt) beter beheersbaar geworden, is er geld om al eerder met IRM projecten te starten cf. de oproep in de motie Schonis* en is de beleidsreservering voor de impulsregeling ruimtelijke adaptatie opgenomen met een realistisch uitgavenpatroon.

Tabel 14: Budgetten Deltafonds in 2020 en in totaal op basis van de Ontwerpbegroting 2020 (in miljoenen €)
  2021 Totaal (2021-2034)
Art. 1 Investeren in waterveiligheid 519,2 6.528,4
Art. 2 Investeren in zoetwatervoorziening 19,3 83,5
Art. 3 Beheer, Onderhoud en Vervanging 154,5 2.942,9
Art. 4 Experimenteren 42,7 929,7
Art. 5 Netwerkgebonden kosten en overige uitgaven
wv investeringsruimte
352,2
4,9
7.217,6
860,2
Art. 6 Bijdrage andere begrotingen Rijk - -
Art. 7 Investeren in waterkwaliteit 130,8 898,7
Totaal uitgaven DF 1.218,7 18.600,8

Investeringsruimte

In deze begroting wordt, volgens de afgesproken systematiek, het Deltafonds met een jaar verlengd tot en met 2034. Dit levert na aftrek van doorlopende verplichtingen (in hoofdzaak bestaande uit beheer, onderhoud en vervanging, netwerkkosten Rijkswaterstaat en de rijksbijdrage aan het Hoogwaterbeschermingsprogramma) nieuwe investeringsruimte op. In 2034 gaat het om € 309 miljoen die beschikbaar komt voor prioritaire beleidsopgaven voor water. Een deel van de investeringsruimte wordt bovendien toegevoegd aan doorlopende beleidsreserveringen.

De komende jaren worden deze investeringsmiddelen op adaptieve wijze nader geprogrammeerd, op basis van lopende trajecten zoals de beoordeling van primaire waterkeringen, het programma Integraal Riviermanagement, Deltaplan Zoetwater en de Delta-aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater. De totale vrije investeringsruimte bedraagt € 867 miljoen in de periode 2021-2034. Onderdeel daarvan zijn risicoreserveringen voor in totaal circa € 341 miljoen.

Reserveringen

Op artikelonderdeel 5.04 van het Deltafonds "Reserveringen" worden uitgaven geraamd voor toekomstige opgaven, waarover nog geen startbeslissing is genomen. Op dit moment zijn tot en met 2034, onder voorbehoud van cofinanciering, met name de volgende posten gereserveerd die voor het Deltaprogramma van belang zijn: Regionale keringen in beheer bij het Rijk (€ 194 miljoen), Integraal Rivier Management (€ 615 miljoen), Zoetwater (€ 444 miljoen), bestaande uit de 2e tranche van € 150 miljoen voor een maatregelenpakket 2022-2027 en een structurele investeringsreeks van € 42 miljoen per jaar vanaf 2028), Programmatische Aanpak Grote Wateren (€ 469 miljoen), een reservering voor onderzoek (€ 20 miljoen), Ruimtelijke adaptatie (totaal € 215 miljoen), bestaande uit € 200 miljoen impulsregeling, € 14 miljoen Kennisprogramma en € 1 miljoen aanvullend ten behoeve van het lopende Stimuleringsprogramma Ruimtelijke Adaptatie) en het Wettelijk Beoordelingskader 2035 (€ 23 miljoen). In de begroting van het Deltafonds is een nadere toelichting op deze reserveringen opgenomen.

Grafiek van budgetten Deltafonds, per artikel en in totaal op basis van de Ontwerpbegroting 2021
Figuur 12 Budgetten Deltafonds, per artikel en in totaal op basis van de Ontwerpbegroting 2021

7.2 Middelen van andere partners

Niet alleen het Rijk investeert in de maatregelen onder het Deltaprogramma, ook de andere overheden doen dat. De waterschappen investeren in maatregelen in het regionale watersysteem en dragen de helft (€ 6 van de 12 miljard) bij aan de financiering van het Hoogwaterbeschermings-programma. Waterschappen, provincies en gemeenten zorgen samen met het Rijk door middel van cofinanciering voor het realiseren van de maatregelen uit de Deltaplannen Ruimtelijke adaptatie en Zoetwater. Ook het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) financiert mee, via de Agenda Cultureel Erfgoed, Waterveiligheid, Klimaatadaptatie en Bodemdaling (aan projecten voor waterveiligheid, klimaatadaptatie en bodemdaling) en de Erfgoed Deal (aan waterprojecten).

Waterschappen

Investeringen

Door 3.200 kilometer primaire waterkeringen op orde te houden, bieden de waterschappen bescherming tegen hoogwater uit zee, het IJsselmeer en de grote rivieren. De overige 14.450 kilometer waterkeringen die de waterschappen in beheer hebben, zorgen ervoor dat andere wateren geen overlast veroorzaken. Daarnaast hebben de waterschappen waterlopen in beheer met een totale lengte van 225.000 kilometer. De waterschappen zorgen er met 5.700 gemalen, tienduizenden kleinere waterkunstwerken en allerlei inrichtingsmaatregelen voor dat hier steeds voldoende water (niet te veel en niet te weinig) van goede kwaliteit is. Met 318 rioolwaterzuiveringsinstallatieszuiveren de waterschappen het water dat de 7,9 miljoen huishoudens en 1,9 miljoen bedrijven in ons land in de riolering lozen. Tot slot hebben vijf waterschappen in het westen van ons land als neventaak het beheer over 6.600 kilometer wegen en 1.000 kilometer fietspaden.

Klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling, verstedelijking, verzilting, aangescherpte milieunormen en de noodzakelijke energietransitie en sluiting van (grondstoffen)kringlopen leiden ertoe dat de waterschappen fors in deze infrastructuur moeten investeren. Uit de investeringsagenda’s van de waterschappen voor de komende jaren blijkt dat ze samen gemiddeld € 1,7 miljard per jaar investeren in de periode 2020-2023 (zie figuur 13). Figuur 14 geeft aan hoe dit bedrag per waterschap over de taken is verdeeld.

Hoogwaterbeschermingsprogramma

Investeringen in waterkeringen vormen het grootste aandeel in het totale investeringsvolume van de waterschappen (zie figuur 13). Het gaat daarbij vooral om investeringen in de primaire waterkeringen. Sinds 2011 nemen de waterschappen deel aan het HWBP en is de financiering van de versterking van de primaire keringen een gezamenlijke verantwoordelijkheid van waterschappen en Rijk. Sinds 2014 gaat het om een gelijke inleg van de waterschappen en het Rijk. Het bedrag wordt sinds 2016 jaarlijks geïndexeerd; in 2020 leggen de waterschappen en het Rijk elk € 198 miljoen in.

Provincies

De provincies leveren op verschillende manieren een bijdrage aan het Deltaprogramma: door personele inzet in de verschillende programmateams of de eigen organisatie, met financiële bijdragen aan deelprogramma’s of met bijdragen aan onderzoek of maatregelen. Provincies zetten zich vooral in voor het verbinden van de verschillende opgaven in hun gebied met de opgaven van het Deltaprogramma. Denk bijvoorbeeld aan de verbinding tussen landbouw, natuur en zoetwatervoorziening of de verbinding van de dijkversterking met het verbeteren van de omgevingskwaliteit.

Grafiek van de gemiddelde jaarlijkse investeringsuitgaven van de waterschappen in de periode 2020-2023, verdeeld over de taken
Figuur 13 De gemiddelde jaarlijkse investeringsuitgaven van de waterschappen in de periode 2020-2023, verdeeld over de taken
Bron: Unie van Waterschappen, juni 2020
Grafiek van de voorgenomen totale investeringsuitgaven per waterschap in de periode 2020-2023 verdeeld over de taken
Figuur 14 Voorgenomen totale investeringsuitgaven per waterschap in de periode 2020-2023 verdeeld over de taken

De omvang van de inzet – personeel en financieel – verschilt per gebied en hangt samen met de provinciale prioriteiten in de betreffende regio. Concrete voorbeelden zijn te vinden in de hoofdstukken 3 tot en met 6. Bij waterveiligheidsprojecten investeren provincies in meekoppelkansen en gebiedsontwikkelingen die bijdragen aan de ruimtelijke ontwikkeling en de ruimtelijke kwaliteit van het betreffende gebied. Zo heeft provincie Utrecht het programma Mooie en Veilige dijken opgestart waarbij een integrale gebiedsaanpak wordt nagestreefd. In samenwerking met waterschappen, gemeenten en gebiedspartners worden verschillende thema’s zoals natuur, cultuurhistorie, verkeer en recreatie meegenomen in de dijkversterking.

De provincies Limburg en Noord-Brabant zijn nauw betrokken bij de voorbereiding van dijkverbeteringen en rivierverruimingen langs de Maas in combinatie met vergroting van de ruimtelijke kwaliteit. In Gelderland wordt hoogwaterveiligheid langs de IJssel gecombineerd met gebiedsontwikkeling in de MIRT-verkenning Rivierklimaatpark IJsselpoort. Provincie Overijssel heeft samen met de waterschappen een project overstijgende verkenning uitgevoerd naar watersysteemmaatregelen in het stroomgebied van de Vecht en draagt bij aan de dijkverlegging langs de IJssel (Paddenpol). Bij de versterking van de Houtribdijk investeert provincie Flevoland in de aanleg van een watersportstrand bij Lelystad. Provincie Fryslân werkt mee aan de verkenning van het dijktraject Koehool-Lauwersmeer en bij de uitwerking van het dijkversterkingsplan Vlieland. In de provincie Groningen wordt de dijkversterking Eemshaven-Delfzijl als multifunctioneel concept uitgevoerd, met de aanleg van een Dubbele Dijk. Het gebied tussen deze twee dijken wordt benut voor natuurontwikkeling, slibvang en ‘zilte landbouw’. Provincie Noord-Holland heeft voor de Markermeerkust naar aanleiding van de versterking van de Markermeerderijken, met 15 partners in het gebied een gebiedsprogramma gemaakt met projecten op het gebied van natuur, recreatie en toerisme en cultuurhistorie.

In het proces voor waterbeschikbaarheid hebben provincies een regierol. Verschillende provincies werken hieraan in gebiedsprocessen met waterschappen en agrariërs (LTO). In de provincie Drenthe werken terreinbeheerders, LTO, waterschap en provincie aan de herinrichting van het Drostendiep waarbij nieuwe doelen van Natuurnetwerk Nederland en de Kaderrichtlijn Water en voor waterberging worden gerealiseerd. Waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit worden door provincies in samenhang opgepakt binnen grondwaterbeschermingsgebieden en bij de zogenoemde gebiedsdossiers drinkwater en de daarmee gerelateerde uitvoeringsprogramma’s. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het project Boeren voor Drinkwater Overijssel en door samen met waterschappen projecten te financieren waarbinnen ook zoetwatermaatregelen worden uitgevoerd. Ook hebben provincies geïnvesteerd in de klimaatpilot Spaarwater. In deze pilot is op verschillende locaties onderzocht hoe de zoetwatervoorraad in landbouwpercelen verbeterd kan worden. Daarnaast lopen programma’s met maatregelen voor beekherstel, waterconservering op de zandgronden, onderzoeken naar de optimalisatie van watersystemen en het toekomstbestendig maken van de openbare drinkwatervoorziening, zoals de herijking van het beschermingsbeleid. Provincie Noord-Brabant heeft een subsidieregeling opgesteld voor projecten die als doel hebben om water te besparen of water vast te houden. Aan de Beleidstafel Droogte hebben de provincies mede vormgegeven aan de beleidsaanbevelingen voor grondwater en kwetsbare natuur.

Op het gebied van ruimtelijke adaptatie ligt de kracht van provincies vooral in het verbinden van klimaatadaptatie met grote ruimtelijke opgaven, zoals woningbouw, energietransitie en regionale ruimtelijke inrichting. Daarnaast brengen provincies samen met de partners in de regio opgaven voor ruimtelijke adaptatie in beeld met (regionale) stresstesten en maken ze via risicodialogen afspraken over de benodigde maatregelen. De uitkomsten leggen ze vast in uitvoeringsagenda’s (zie ook concrete voorbeelden in hoofdstuk 5). Provincie Noord-Holland heeft bijvoorbeeld een uitvoeringsprogramma voor 2020-2023 opgenomen in de notitie Klimaatadaptatie Noord-Holland, bouwstenen voor een provinciale aanpak en aangegeven hoe de beschikbare middelen voor klimaatadaptatie uit het coalitieakkoord (€ 5,1 miljoen) worden ingezet. In 2019 heeft de provincie Noord-Holland voor alle werkregio’s een subsidie beschikbaar gesteld als cofinanciering van de regeling Procesondersteuning klimaatadaptatie van het Rijk. Deze is vooral bedoeld om de risicodialoog door de werkregio’s te ondersteunen. In de komende jaren geven de provincies - naast gemeenten, waterschappen en het Rijk - een extra impuls aan de aanpak van klimaatadaptatie en de uitvoering van maatregelen, zoals afgesproken in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie.

Gemeenten

Gemeenten vervullen verschillende rollen bij de aanpak van klimaatverandering. In de rol van beleidsmaker en regelgever zorgen gemeenten onder andere voor borging van klimaatadaptatie in de gemeentelijke omgevingsvisies, (sectorale) programma’s en omgevingsplannen. Daarnaast leggen ze in rioleringsplannen vast hoe wordt omgegaan met hemelwater en grondwater. Hemelwater wordt in toenemende mate bovengronds geborgen of afgevoerd, bijvoorbeeld via wadi’s, groenstroken en daarvoor ingerichte wegen. In de rol van eigenaar investeren veel gemeenten in het klimaatbestending maken van maatschappelijk vastgoed (zoals scholen) en het openbare gebied, bijvoorbeeld door hoogteverschillen aan te brengen of meer groen en open water te creëren. Ook nemen veel gemeenten een rol als initiator op zich, door het voortouw te nemen bij nieuwe initiatieven met meerdere partijen zoals corporaties en waterschappen. Daarbij kunnen ze ook optreden als cofinancier om initiatieven op gang te brengen en te houden.

Uit de Monitor Gemeentelijke Watertaken blijkt dat gemeenten in 2020 € 1,678 miljard aan inkomsten hadden die bestemd zijn voor stedelijk waterbeheer. Grofweg een derde van de uitgaven betreft kosten voor rente en aflossing van leningen voor eerder aangelegde voorzieningen. Iets minder dan de helft is bestemd voor het beheer van de rioolstelsels en andere voorzieningen voor afvalwater, grondwater en regenwater. Het overige deel wordt gebruikt om investeringen direct uit de heffing te betalen of te sparen voor toekomstige vervangingsopgaven.

7.3 Herijking van de financiële opgave

Parallel aan het herijken van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën is ook een herijking van de kostenschatting van het Deltaprogramma uitgevoerd. Hieronder wordt toegelicht op welke manier en met welke uitgangspunten dit is gedaan, welke herijkte kostenschatting dit heeft opgeleverd en wat de verschillen met de vorige kostenschatting uit DP2015 zijn.

7.3.1 Aanpak

De herijking van de kostenschatting van het Deltaprogramma is uitgevoerd door het Expertise Centrum Kosten-Baten (ECK-B). De deltacommissaris heeft het ECK-B ingesteld om zorg te dragen voor transparante, uniforme en betrouwbare financieel-economische beslisinformatie voor de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën. In het ECK-B participeren deskundigen van Rijkswaterstaat, Wageningen-UR, PBL en Deltares.

Voor de herijking van de kostenschatting is een incrementele benadering gehanteerd. Uitgangspunt was de programmaraming uit het DP2015. Het ECK-B heeft geïnventariseerd of de ervaringen sinds die tijd en nieuwe kennis aanleiding geven tot aanpassing van de kostenraming. Daarbij is gelet op wijzigingen in de geprogrammeerde maatregelen (afgevallen en toegevoegde maatregelen), veranderingen in de planning en nieuwe inzichten in de kosten van de maatregelen. Ook is gekeken welke maatregelen inmiddels zijn gerealiseerd.

Het ECK-B heeft geen nieuwe kostenramingen voor alle afzonderlijke maatregelen opgesteld. Nieuwe inzichten en innovaties zijn alleen meegenomen als deze ook onderbouwd konden worden en een significant effect op de kosten hebben. Uitgegaan is van het klimaatscenario “Stoom” (W+). De kosten van de maatregelen zijn met een generieke index naar prijspeil 2020 gebracht.

Een aanmerkelijk deel van de kosten van het Deltaprogramma wordt gemaakt in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het HWBP heeft op verzoek van de deltacommissaris onderzoek gedaan naar nieuwe kostenschattingen voor het gehele programma tot 2050, mede op basis van in 2019 opgedane inzichten. Hiervoor is een de raming voor Deltaplan Waterveiligheid (“Consequentie-analyse”) vergeleken met de laatste inzichten van het HWBP.

7.3.2 Gehanteerde uitgangpunten

Het ECK-B heeft dezelfde uitgangspunten gehanteerd als bij de kostenschatting uit 2015. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de standaard systematiek van kostenramingen die Rijkswaterstaat hanteert, maar toegesneden op de vraagstukken van het Deltaprogramma en gericht op de pre-verkenningsfase. Deze uitgangspunten zijn bedoeld om maximale uniformiteit en transparantie in de kosten­onderbouwingen te brengen. De schattingen zijn omgeven met een grote onzekerheidsmarge. Dat is het gevolg van de veelheid en verscheidenheid van de maatregelen, de lange looptijd van het programma en onzekerheden over beslissingen over daadwerkelijke uitvoering. Het ECK-B gaat ervan uit dat de bandbreedte rond ramingen +/- 50% bedraagt, vergelijkbaar met de ramingen in bijvoorbeeldde pre-verkenningsfase van Ruimte voor de Rivier (2005). De kostenschatting is dan ook niet geschikt om een taak­-stellend budget op te baseren, maar geeft wel inzicht in de vraag of de beschikbare middelen om de doelen van het Deltaprogramma te realiseren toereikend zijn.

De kostenschatting omvat zowel de investeringskosten als de kosten voor beheer en onderhoud van de maatregelen, omdat beide integraal onderdeel zijn van het Deltafonds. De totale kostenschatting bestaat uit de som van de kostenschattingen voor de uitvoering van de voorkeursstrategieën van de afzonderlijke deelprogramma’s. Deze kosten zijn op programmaniveau aangevuld met maatregel-overstijgende risico’s (risico’s die niet specifiek aan één maatregel of een deelprogramma zijn toe te wijzen). De kosten van de voorkeursstrategie van een deelprogramma zijn berekend als de som van de kosten van de geselecteerde maatregelen binnen die strategie. Voor onderwerpen waar nog geen globaal beeld bestaat van de maatregelen en de programmering hiervan, is het budgettaire kader leidend voor de kostenschatting.

7.3.3 Bevindingen herijking kostenschatting Deltaprogramma

De opbrengst van de herijking van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën is in hoofdstuk 2 van dit Deltaprogramma 2021 beschreven. Uit deze herijking volgen enkele voorstellen voor beleidswijzigingen. De impact daarvan op de kostenschatting is over het algemeen beperkt.

De totale kosten voor het Deltaprogramma over de periode 2015-2050 worden nu geschat op € 25 miljard, met een bandbreedte van +/- 50%. Dat is bijna gelijk aan de schatting die vanaf DP2016 is gepresenteerd. Sommige onderdelen van de kostenschatting vallen hoger uit en andere lager; deze veranderingen blijken min of meer tegen elkaar weg te vallen. Paragraaf 7.3.4 gaat verder in op de verschillen met de ‘oude’ kostenschatting.

Hieronder volgen de belangrijkste bevindingen per deelprogramma.

Veiligheid/HWBP

De dijkversterkingsprojecten die voortvloeien uit de water­-veiligheidsnormering die per 1 januari 2017 van kracht is worden gerealiseerd door het Hoogwaterbeschermings-programma. Op verzoek van de deltacommissaris is door het HWBP een analyse gedaan naar kostenschattingen voor het gehele HWBP programma tot 2050, mede op basis van in 2019 opgedane inzichten (in de zogeheten “feitenanalyse”*). Hiervoor is een vergelijking gemaakt tussen de raming ten behoeve van het Deltaprogramma Veiligheid bij DP2015 en de laatste inzichten in het HWBP. HWBP rekent tot nu toe met minder kilometers dan waar in de programmaraming mee rekening is gehouden. De programmaraming 2015 is gebaseerd op de zogeheten “consequentie-analyse” van de nieuwe norm, terwijl HWBP de opgave van de beheerders en de uitkomsten van de beoordelingen van de keringen als uitgangspunt neemt. Het is aannemelijk dat in de loop der tijd het aantal kilometers in het HWBP nog zal toenemen. Aan de andere kant kan de consequentie-analyse een overschatting geven van het aantal kilometers, omdat deze nog uitging van oude Veiligheid Nederland in Kaart systematiek van faalkansen per dijkring, en niet van overstromingskansen per dijkvak. Tenslotte zaten in de consequentie-analyse geen voorliggend keringen, voormalige primaire C-keringen. Al met al blijkt uit de analyse dat de kostenschatting die destijds voor DP2015 gemaakt is ondanks enkele verschillende uitgangspunten en nieuwe inzichten, op totaalniveau voldoende robuust is en er is dan ook vooralsnog geen aanleiding om van een andere kostenschatting uit te gaan.

Zoetwater

De droogte van 2018, 2019 en het voorjaar van 2020 heeft de urgentie voor zoetwatermaatregelen vergroot. Het huidige uitvoeringsprogramma (Deltaplan Zoetwater) loopt tot 2021 en wordt verlengd met een tweede tranche. Veel maatregelen worden gezamenlijk gefinancierd door Rijk en regionale beheerders. De totale omvang van de investeringen in zoet water is fors groter dan het beslag op het Deltafonds. De totale geplande uitgaven van alle partijen voor de zoetwatermaatregelen in fase I (de eerste tranche) uit het Deltaplan bedragen in de periode tot en met 2023 ruim € 430 miljoen. Hiervan wordt € 169 miljoen uit het Deltafonds gefinancierd (zie tabel 14). In het Deltafonds is daarnaast € 150 miljoen gereserveerd voor fase 2 van het Deltaprogramma Zoetwater (2022-2027). De minister van IenW heeft bovendien de intentie om voor de periode 2022 – 2027 € 100 miljoen extra beschikbaar te stellen uit het Deltafonds.* Samen met extra regionale cofinanciering, waarmee de totale cofinanciering vanuit de regio op ongeveer € 540 miljoen komt, kan in fase 2 een maatregelenpakket worden uitgevoerd met een omvang van ruim € 800 miljoen.

Ruimtelijke adaptatie

DP2015 bevatte nog geen kosten voor ruimtelijke adaptatie. Het Rijk heeft in de begroting 2021 € 200 miljoen gereserveerd voor een tijdelijke impulsregeling. De totale omvang van de investeringen is driemaal zo groot, als gevolg van cofinanciering door de medeoverheden.

Rivieren

In het kader van Integraal Riviermanagement (IRM) worden opgaven voor waterveiligheid, zoetwater, bevaarbaarheid, rivierbeheer en natuurontwikkeling in samenhang bezien. In de loop van in 2022 levert IRM een nieuwe voorkeursstrategie voor de Rijn en de Maas op. In de kostenschatting is vooralsnog uitgegaan van de middelen die in de begroting van het Deltafonds gereserveerd zijn. Voor de bekostiging van maatregelen voor bevaarbaarheid en natuur en voor het rivierbeheer bestaan afzonderlijke budgetten (buiten het Deltafonds) die met de IRM-middelen kunnen worden gecombineerd. Verder zijn enkele besluiten van de afgelopen jaren verwerkt, zoals de voorkeursbeslissing Varik-Heesselt.

Rijnmond-Drechtsteden

Een aantal ingrepen in het benedenrivierengebied wordt later of niet uitgevoerd (afgraving Avelingen, nevelgeul Sleeuwijk, stormvloedkeringen Dordrecht). Op basis van de systeemanalyse Hollandsche IJssel is geconcludeerd dat de opgave voor dijkversterkingen kleiner wordt door te investeren in een lagere faalkans van de Hollandsche IJsselkering. Dit levert een substantiële kostenbesparing op.

IJsselmeergebied

In dit gebied zijn maatregelen uitgevoerd om flexibel peilbeheer mogelijk te maken. De studie naar het toekomstige peil van het IJsselmeer heeft uitgewezen dat een extra peilstijging voor 2050 niet nodig is. In de kostenschatting van DP2015 was rekening gehouden met kosten voor verdere flexibilisering van het peil voor 2050.

Zuidwestelijke Delta

De Grevelingen wordt niet ingezet als waterberging. De investering in de doorlaat in de Brouwersdam komt ten laste van waterkwaliteit en valt daarmee buiten het Deltaprogramma. Hoewel de toekomst van het Volkerak-Zoommeer nog niet besloten is (zoet of zout) zijn de kosten voor de wateraanvoer via de Roode Vaart wel gehandhaafd in de kostenschatting. Voor onderzoek naar de toekomst van de Oosterscheldekering (na 2050) zijn extra kosten opgenomen.

Waddengebied en Kust

Het programma Kustgenese levert eind 2020 een beleidsadvies op. Ook wordt gestudeerd op innovaties in de kustlijnzorg. De mogelijke resultaten zijn op dit moment is nog onvoldoende concreet om de scope van DP2015 bij te stellen. Een aantal pilots is uitgevoerd, voornamelijk in het Waddengebied.

Rijkskeringen

Rijkswaterstaat heeft het programma Rijkskeringen ingesteld. De kosten hiervan zijn op basis van een eerste deskundigenoordeel in de kostenschatting opgenomen. Deze kosten zullen de komende jaren preciezer worden geraamd.

7.3.4 Verschillen met kostenschatting DP2016

De herijkte kostenschatting van € 25 miljard is bijna gelijk aan de kostenschatting die vanaf DP2016 geldt. Op onderdelen zijn wel veranderingen opgetreden. De grootste aanpassingen zijn:

  • Het aanpassen van het prijspeil van de kostenschatting van 2013 naar 2020 (+ € 2,2 miljard). Het prijspeil is sinds 2015 niet jaarlijks aangepast in de kostenschattingen. Daarentegen zijn de budgetten in het Deltafonds wel jaarlijks aangepast aan loon- en prijsstijgingen. Daarom is moeilijk te beoordelen of de budgetten en de kostenschatting in evenwicht zijn. In het vervolg wordt jaarlijks een correctie voor het prijspeil toegepast op de totale kostenraming, ten behoeve van het oordeel van de deltacommissaris (zoals in paragraaf 7.4).
  • Verschillende ruimtelijke maatregelen in het rivierengebied die in de vorige kostenschatting waren meegerekend, zijn komen te vervallen (bijvoorbeeld de hoogwatergeul Varik-Heesselt). Bovendien waren in die kostenschatting bijdragen van medeoverheden meegerekend, los van de dijkrekening bijdrage in geval van vermeden kosten voor dijkversterking. Deze ontwikkelingen leiden samen tot een verlaging van de kostenraming (totaal - € 3,2 miljard). De reservering voor IRM in de Deltafondsbegroting leidt tot verhoging van de kostenschatting (+ € 1,7 miljard).
  • In de kostenschatting zijn de aanvullende ambities voor zoetwater en de impulsregeling voor Ruimtelijke adaptatie verwerkt. Regionale partijen dragen gezamenlijk fors bij aan het totale zoetwaterpakket, maar die bijdrage loopt niet via het Deltafonds, dus voor de beoordeling van de financiële borging van het Deltaprogramma in paragraaf 7.4 moet deze niet worden meegerekend (totaal effect - € 0,5 miljard).
  • Voor diverse deelprogramma’s is de scope veranderd met als resultaat een lagere kostenschatting. Dit gaat bijvoorbeeld om de beslissingen om voor 2050 geen extra peilstijging op het IJsselmeer te bewerkstelligen, om voor 2028 geen grootschalige pilots te starten voor zandsuppletie en om diverse ruimtelijke maatregelen bij Rijnmond-Drechtsteden (totaal - € 1,6 miljard). De risico­reserveringen zijn geactualiseerd en laten een mutatie zien van -€ 0,9 miljard.
  • In de kostenschatting in DP2016 was een bedrag voor de rijkskeringen verwerkt, als onderdeel van de dijkversterkingsopgave van circa € 12 miljard. Die is nu separaat verwerkt in de kostenschatting (+ € 0,9 miljard).

7.4 De financiële borging van het Deltaprogramma

Het Deltafonds vormt het financiële fundament onder het Deltaprogramma en voorziet in middelen om ons land in de toekomst te beschermen tegen hoogwater en te zorgen voor voldoende zoetwater. Ervan uitgaande dat het Deltafonds jaarlijks met € 1,4 miljard wordt geëxtrapoleerd, is er in de periode 2035-2050 circa € 23,0 miljard beschikbaar in het Deltafonds. Een deel van deze middelen is beschikbaar voor projecten die tot het Deltaprogramma worden gerekend, maar niet alles. Bijvoorbeeld de instandhoudingsbudgetten (Artikel 3) en een groot deel van het artikel netwerkgebonden kosten en overige uitgaven (Artikel 5) vallen niet onder het Deltaprogramma.

De tentatieve extrapolatie in figuur 15 is gebaseerd op het jaar 2034. De deltacommissaris is er hierbij van uitgegaan dat de geoormerkte reeks voor nieuwe hoogwaterbeschermingsmaatregelen bij de waterschappen wordt gecontinueerd na 2028, overeenkomstig de afspraken tussen Rijk en waterschappen zoals verankerd in de Waterwet. Uit de extrapolatie wordt duidelijk dat van de ongeveer € 1,4 miljard die in de periode 2035-2050 jaarlijks in het Deltafonds beschikbaar is circa € 0,8 miljard per jaar nodig is voor beheer, onderhoud en vervanging (artikel 3) en netwerkgebonden en overige uitgaven (artikel 5). Aan investeringsbudget is in de periode 2035-2050 circa € 0,7 miljard per jaar beschikbaar; dit betreft het budget voor de beschikbare c.q. geoormerkte reeks voor nieuwe hoogwaterbeschermingsmaatregelen bij de waterschappen (artikel 1 en 2) en de voor het Deltaprogramma relevante reserveringen (artikel 5). Daarmee komt in de periode 2035-2050 circa € 11,4 miljard aan investeringsbudget beschikbaar. In de periode 2015 tot en met 2034 is er circa € 14,0 miljard beschikbaar voor het Deltaprogramma. Dat betekent dat er, gerekend vanaf de start van het Deltaprogramma, in totaal tot en met 2050 ongeveer € 25,4 miljard beschikbaar komt voor de waterveiligheids- en zoetwateropgaven van nationaal belang. Daarbij komen naar verwachting nog middelen van andere partners in het Deltaprogramma dan het Rijk en de waterschappen, zoals de provincies.

Dankzij het Deltafonds is er op dit moment een goede financiële basis voor de opgaven van het Deltaprogramma. Er spelen echter diverse ontwikkelingen die de komende jaren budgettaire consequenties kunnen hebben. Zo heeft niet alleen de maatschappij, maar ook de rijksbegroting zwaar te lijden onder de gevolgen van corona. Ook zijn er ontwikkelin­gen die de budgettaire ruimte voor het Deltaprogramma onder druk kunnen zetten of tot een grotere opgave – of herprioritering - kunnen leiden. Denk aan de instandhoudingsopgaven van Rijkswaterstaat waarvan op dit moment de budgettaire consequenties in beeld worden gebracht.* Ook zijn - mede naar aanleiding van de ervaringen met de grote droogte van de laatste jaren - maatregelen geïnventariseerd die nodig zijn om zuiniger om te gaan met water, water beter vast te houden en het slimmer te verdelen. Die maatregelen overstijgen het huidige investeringsniveau. Voor de lange termijn komen daar de mogelijke inspanningen bovenop die nodig zijn om gelijke pas te houden met de gevolgen van zeespiegelstijging. Voor een effectieve delta aanpak is en blijft de komende decennia voldoende financiële armslag nodig.

De deltacommissaris trekt de conclusie dat, uitgaande van de tentatieve extrapolatie van het Deltafonds tot en met 2050 en de herijkte schatting van de totale kosten van het Deltaprogramma, de opgaven en de beschikbare middelen met elkaar in balans zijn. De financiële borging van het Deltaprogramma tot 2050 is op dit moment op orde.

Grafiek van de tentatieve extrapolatie Deltafonds
Figuur 15 Tentatieve extrapolatie Deltafonds